Buggy
Porsche buggy V6 buggy B1 buggy Other buggy's Buggy models Buggy meetings Scale buggy
Beetle
Silver speedster Ghost rider 1303 cabrio Beetle meetings Other beetles
Other vw's
T1 camper van T3 camper van
Other cars
66 El-camino Exotic cars
Hot links

Buggy club holland Buggy's from holland Buggy boys Belgium B1 buggy's Super buggy's world wide K&S motorsport buggy Meyers manx usa VolksRepairs JB custom bikes Kever club ZH Ploon beetles AirMighty Kever pagina.nl VW start pagina Allround LPG No limet tractor pullingQuad power Keverboet


Handige A.P.K. regeltjes voor

buggy's en kevers

 

Het kenteken

Dit moet kloppen

a. het kenteken;
b. het identificatienummer;
Toelichting
bij de controle van het identificatienummer worden tekens, welke geen letters of cijfers zijn, buiten beschouwing gelaten;
c. de plaats van het identificatienummer met uitzondering van een eventuele afstandsmaat;
Toelichting
Indien aan de hand van de plaatsomschrijving van het identificatienummer op het kentekenbewijs het identificatienummer in het voertuig kan worden gevonden, wordt voldaan aan de eis dat de plaats van het identificatienummer in het voertuig overeenkomt met het kentekenbewijs.

d. de wielbasis, waarbij deze niet meer dan 1,0 % mag afwijken van de waarde die op het kentekenbewijs is vermeld. Als de wielbasis van fabriekswege links en rechts verschilt, wordt de gemiddelde waarde als wielbasis aangemerkt;
e. het aantal assen, hetgeen af te leiden is uit het aantal wielen; dit geldt niet voor middenasaanhangwagens.

f. Brandstofsoort, aantal cilinders.
Indien het een personenauto of bedrijfsauto betreft moeten tevens de volgende gegevens op het kentekenbewijs in overeenstemming zijn met het voertuig.

Het chassis

De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen van het chassisraam, dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van de mee- of zelfdragende carrosserie van personenauto's mogen:a. geen breuken of scheuren vertonen;b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht.

De stoelen en gordels

1. Personenauto's die na 1 januari 1971 doch voor 1 januari 1990 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van autogordels voor de zitplaats van de bestuurder en de naast deze plaats aanwezige zitplaats.

2. De zitplaatsen van personenauto's moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Bij personenauto's die na 30 september 1971 in gebruik zijn genomen, moeten:
a. verschuifbare zitplaatsen in elke mogelijke stand automatisch zijn vergrendeld,b. verstelbare rugleuningen van zitplaatsen in elke mogelijke stand kunnen worden vergrendeld.
c. de voorste zitplaatsen, indien zij scharnierend zijn, dan wel de rugleuningen van de voorste zitplaatsen, indien zij scharnierend zijn, in de normale stand automatisch zijn vergrendeld.

De verlichting

a. twee of vier grote lichten; Visuele controle.
b. twee dimlichten, met dien verstande dat de dimlichten met gasontladingslichtbronnen en andere lichtbronnen met een lichtsterkte van meer dan 2000 lumen voldoen aan door Onze Minister gestelde eisen voor deze lichtbronnen, alsmede voor de installatie daarvan indien het voertuig na 31 december 2005 in gebruik is genomen. Visuele controle.Op deze eis wordt t.a.v. lichtbronnen met een lichtsterkte van meer dan 2000 lumen vooralsnog niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport en bij elke keuring ten behoeve van de afgifte of teruggave van een kentekenbewijs.
c. twee stadslichten indien het voertuig na 30 juni 1967 in gebruik is genomen, dan wel twee of vier stadslichten indien het voertuig vóór 1 juli 1967 in gebruik is genomen; Onderdelen c tot en met l. Visuele controle.
d. twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee aan de achterzijde van het voertuig, dan wel één richtingaanwijzer aan elke zijkant indien het voertuig vóór 1 juli 1967 in gebruik is genomen; het licht van de richtingsaanwijzers van personenauto's die na 30 juni 1967 in gebruik zijn genomen moet knipperen;
e . twee achterlichten indien het voertuig na 30 juni 1967 in gebruik is genomen, dan wel twee of vier achterlichten indien het voertuig vóór 1 juli 1967 in gebruik is genomen.
f . twee remlichten indien het voertuig na 30 juni 1967 in gebruik is genomen, dan wel één of twee remlichten indien het voertuig vóór 1 juli 1967 in gebruik is genomen;
g . een installatie ter verlichting van de aan de achterzijde van het voertuig aangebrachte kentekenplaat;
h . twee niet-driehoekige rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig;
ToelichtingOnder driehoekig wordt een gelijkzijdige driehoek verstaan.

Kleur verlichting


1. De grote lichten, dimlichten, stadslichten en achteruitrijlichten mogen niet anders dan wit of geel stralen.ToelichtingWit licht is opgebouwd uit meerdere kleuren. Hierdoor kan het voorkomen dat op het koplamptestapparaat een blauwe, groene, gele, oranje of rode kleur is te zien. Deze kleur op het scherm van het koplamptestapparaat is acceptabel mits de kleur van het licht op de vloer of het wegdek wel wit is. Visuele controle, waarbij de desbetreffende verlichting wordt ingeschakeld. Voor de controle van de achteruitrijlichten wordt de achteruitrijversnelling en zo nodig het contact ingeschakeld. Indien noodzakelijk wordt achteruit gereden.
2. De richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten mogen naar voren niet anders dan ambergeel of wit en naar achteren niet anders dan ambergeel of rood stralen.
3. De zijrichtingaanwijzers, mogen niet anders dan ambergeel stralen.
4. De achterlichten en mistlichten aan de achterzijde mogen niet anders dan rood stralen.
5. De remlichten mogen niet anders dan rood of ambergeel stralen.
6. De kentekenplaatverlichting mag niet anders dan wit stralen en mag niet naar achteren stralen.

Plaats verlichting

Bij personenauto's in gebruik zijn genomen na 31 december 1967 moeten de verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen, zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,40 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig.Voor richtingaanwijzers geldt de eerste volzin slechts voorzover het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 1997. Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten.
2. Het bepaalde in het bovenstaande geldt niet voor de grote lichten, richtlichten, bermlichten, achteruitrijlichten, remlichten, de verlichting van de kentekenplaat aan de achterzijde van het voertuig, de markering aan de achterzijde van het voertuig, mistlichten aan de achterzijde van het voertuig, en werklichten.

De voorruit

1. Personenauto's met een voorruit moeten zijn voorzien van een goed werkende
ruitenwisserinstallatie die de bestuurder voldoende uitzicht geeft.
2. Personenauto's met een voorruit, die na 30 september 1971 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitensproeierinstallatie.
3.Personenauto's met een voorruit, die na 30 september 1971 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een goed werkende installatie ter ontdooiing en ontwaseming van de voorruit.

De spiegels

1. Personenauto's moeten zijn voorzien van een linkerbuitenspiegel en van een binnenspiegel.
2. Personenauto's moeten zijn voorzien van een rechterbuitenspiegel indien met de binnenspiegel het achter het voertuig gelegen weggedeelte niet voldoende kan worden overzien. Indien de binnenspiegel geen zicht naar achteren mogelijk maakt, behoeft deze niet aanwezig te zijn.
3. De aan de zijde van de bestuurder bevestigde buitenspiegel moet vanuit de binnenzijde bij gesloten portier kunnen worden versteld. Deze eis geldt niet voor personenauto's die vóór 1 januari 1975 in gebruik zijn genomen. De spiegels van deze voertuigen moeten, na door een duw te zijn omgeklapt, zonder verstelling in de oorspronkelijke stand terug kunnen klappen.

De snelheidsmeter

Personenauto's die na 30 juni 1967 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een goed werkende snelheidsmeter, die ook bij nacht voor de bestuurder goed afleesbaar is.

De motor

De onderdelen van de aandrijving van personenauto's moeten deugdelijk zijn bevestigd. Een volledig doorgescheurde flexibele koppeling is toegestaan mits de aandrijfas op zijn plaats blijft.
2. Stofhoezen van aandrijfassen moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten.
3. Kruiskoppelingen moeten een zichtbaar spelingsvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen.

1. De motorsteunen van personenauto's moeten deugdelijk aan het chassis dan wel de carrosserie alsmede aan de motor zijn bevestigd. Indien de motor en de versnellingsbak zijn samengebouwd, dan worden de steunen van de versnellingsbak mede als motorsteunen beschouwd.
2. De motorsteunen mogen niet in ernstige mate zijn beschadigd, de rubbers mogen niet zijn doorgescheurd en de vulkanisatie mag niet geheel zijn losgeraakt.

Wat mag er uit de pijp komen

De uitlaatgassen van personenauto's met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking mogen bij stationair toerental en op bedrijfstemperatuur zijnde motor:a. niet meer dan 4,5% vol koolmonoxide bevatten indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 1973 doch voor 1 oktober 1986.

 
 
Advertisement
.........................